Als twintigers reisden we – mijn man, zus en ik – af naar Turkije. Het waren de jaren ’90 en we wilden met eigen middelen een ICT-bedrijf in Istanbul van de grond tillen. Het lukte: we werden distributeur van Baan Company in Turkije. Later werd onze onderneming door Baan overgenomen; voor ons betekende dat we erg jong zakenpartners werden van Jan en Paul Baan. De CEO van Philips Turkije fluisterde mij destijds als goede vriend toe: “Zehra, wees op jullie hoede, let op wat je wel en niet tekent, want mensen zijn erg hard in het zakenleven.” Tja, dat hebben we geweten. Na drie jaar hard werken konden we ons optiemodel van aandelen niet verzilveren. Het contract dat we vol enthousiasme hadden ondertekend – want het was natuurlijk kicken om ineens zo’n enorme investering te krijgen – bleek een bij voorbaat al “mission impossible”-optiemodel.

Aan onze Turkish-Dutch Dream kwam na drie jaar een einde. Het was een nooit te vergeten droom. We werkten dag en nacht en zelfs in de weekends, maar kregen steeds meer controle vanuit hoofdkantoor. Onze vrijheid om eigen initiatieven te ontwikkelen die rekening hielden met lokale behoeften, werd aan banden gelegd. We voelden niet meer het vertrouwen van de collega’s in Nederland; zij snapten naar onze mening niets van de Turkse markt en keken puur en alleen naar de kale cijfers. Eerder dan gepland zeiden we daarom het hoofdkantoor vaarwel en vertrokken met lege handen uit Istanbul. Van spijt was en is geen sprake: van fouten kun je leren, de volgende keer kijk je beter uit, denk je langer na en vraag je om hulp wanneer je iets niet weet.

Terug in Nederland startte ik vervolgens mijn eigen consultancy bedrijf, zoals eerder al volledig met eigen middelen. Ik besloot elke onderneming die ik zou opzetten, voortaan zelf te financieren. Dan maar met minder geld. Zo nam ik minder risico’s, wat mij een veilig gevoel gaf. Mijn man daarentegen was ervan overtuigd dat hij alleen kon groeien met investeerders; en hij begon aan zijn tweede bedrijf met leningen. Van mij – en van vele vrienden. In 2001 werd zijn ICT-detacheringsbedrijf failliet verklaard.

Een faillissement is in Nederland iets wat ik mijn grootste vijand niet toewens. Ineens besta je niet meer. Je doet er niet meer toe. Zelfs ‘goede’ bankrelaties keren je de rug toe. Het faillissement van mijn man sloeg in als een bom: hij had mij niets verteld over de slechte financiële situatie van zijn bedrijf. Voor de tweede keer werd mijn vertrouwen beschadigd. Ooit door de Baan deal, nu nota bene door mijn eigen man. Dat deed pijn; een echtscheiding, ondanks een pasgeboren kind in mijn armen, lag voor de hand. Gelukkig heeft onze liefde het gewonnen van het enorme financiële verlies dat we geleden hebben en de schuld waar we mee zaten. Al zou het nog vijf jaar duren, eer de zon weer zou schijnen voor ons. Met hard werken, zuinig leven en gelukkig uitgerust met veel werkervaring en kennis, konden mijn man en ik onze financiën opnieuw op orde krijgen.

Rest natuurlijk de vraag wat verstandiger is. Of beter. Eigen geld investeren of geld lenen? Uiteindelijk kan het allebei. Het mijden van risico leidt meestal tot minder groei; te veel risico kan leiden tot problemen. Het is een kwestie van balans – en de eeuwige vraag: “Wat voor type ondernemer ben je en welk investeringsplan past daarbij?”

Inmiddels zit ik in de positie dat ik, vanuit de Dutch Dream Foundation, ondernemers kan behoeden voor de fouten die wij gemaakt hebben. Ik kan hen de hulp geven die wij destijds ontbeerden.

En wat ben ik trots op onze ondernemers: het ondernemerschap versterkt immers onze maatschappij.